Home Over ons Contact
Facebook Twitter Email

Zes pilaren van het Geloof

Vereisten van Islâm

  1. Geloof in Allâh
  2. Geloof in Zijn engelen
  3. Geloof in Zijn boeken
  4. Geloof in Zijn profeten
  5. Geloof aan de Dag van het Oordeel
  6. Geloof aan bestemming en beschikking

Iemand die één van deze geloofsartikelen verloochent, wordt geacht ze allemaal te verwerpen. Bijvoorbeeld, iemand die in de eerste vijf artikelen gelooft, maar het geloof aan het Leven na de dood afwijst, kan niet worden beschouwd als een Moslim.

 

1.GELOOF IN ALLÂH

De eerste van de zes geloofsartikelen is te geloven in Allâh; dat Hij bestaat en te geloven dat Zijn Goddelijk Wezen alle Goddelijke eigenschappen in volkomenheid bezit en dat Hij ver verheven is boven alle onvolkomenheden.

De Eigenschappen van Allâh de Allerhoogste worden in twee groepen geclassificeerd:

De Goddelijke Eigenschappen van Zijn Persoon en de onafscheidelijke Wezens-Eigenschappen van Allâh.

Er zijn zes Goddelijke Persoons-Eigenschappen van Allâh. Het zijn:

1- Allâh is de Aanwezige Bestaande.

2- Allâh heeft geen begin. Hij is de Eewigbestaande.

3- Allâh heeft geen einde. Hij is de Eeuwigdurende.

4- Allâh is Enig, niemand is aan Hem gelijk, niemand heeft deel aan Zijn Persoon en aan Zijn almacht. Alles is van Hem afhankelijk.

5-  Allâh, De Schepper, is geheel Verschillend van Zijn schepselen.

6- Allâh is geheel zelfgenoegzaam, volkomen onafhankelijk.

 

Er zijn acht onafscheidelijke Eigenschappen van Allâh’s Wezen.

Deze zijn:

1 (Leven) Allâh is de levende en de levensgever.

2- Weten) Allâh is de alwetende: hij weet alles,   zelfs de geheimste bedoelingen van de harten.

3- (Horen) Allâh is alhorend: Hij hoort alles.

4- (Zien) Allâh is alziende: Hij ziet alles, zelfs een zwarte mier die in een donkere nacht over een zwarte rots loopt. En hij hoort het geluid van zijn pootjes.

5-(Absolute Wil) Allâh’s wil is allesomvattend; Door Zijn goddelijk besluit doet Hij al hetgeen Hij wenst op de manier zoals Hij dat wil.

6- Allâh is alvermogend. Hij heeft gezag, macht en kracht over alles.

7-(Spreken) Allâh‘s manier van spreken is bijzonder, om te spreken heeft hij geen letters of geluid nodig.

8- Scheppen) Allâh is de schepper, uit het niets

stelt hij alle dingen en wezens  samen.

 

2.GELOOF IN DE ENGELEN

Het tweede grondbeginsel van het geloof is het geloven in de engelen. Engelen zijn zachtzinnige geestelijke wezens die van goddelijk licht geschapen zijn en die elke gewenste vorm kunnen aannemen. Zij zijn niet mannelijk en niet vrouwelijk, en zij verzetten zich nooit tegen de orders van Allâh. Ze hoeven niet te eten of te drinken en ze worden niet moe. Sommige engelen vervullen opdrachten in de hemelen, sommigen hebben taken op aarde en sommigen bij Al-‘Arsj. Alleen Allâh weet hoeveel engelen er zijn. Vier hooggeplaatste engelen zijn profeten van de engelen.

 

DE VIER HOOGGEPLAATSTE ENGELEN

1.     Djebrâ’iel(GABRIËL) (a.s.). Zijn plicht was het om Allâh’s openbaringen van Zijn Heilige Voorschriften aan de profeten over te brengen. Deze engel fungeert als een bemiddelaar tussen Allâh en zijn profeten.

2.     Mikâ’iel(MICHAËL) (a.s.). Hij is belast met de opwekking van bepaalde natuurverschijnselen, zoals de wind, de regen, de sneeuw en de plantengroei.

3.     Isrâfiel(RAPHAËL) (a.s.). Hij heeft de opdracht om as-soêr (de bazuin) te blazen bij het aanbreken van de oordeelsdag (al-Qiyâma) en voor de opstanding van de mensheid tijdens deze oordeelsdag.

4.     Azrâ’iel(AZRAËL) (a.s.). Hij heeft tot taak om de zielen van de stervende mensen te nemen.

Bovendien bestaan er voor elke mens 360 andere aangestelde engelen. Hiervan zijn schrijfengelen die alle daden van iedereen noteren en sommige beschermengelen.

 

3.GELOOF IN ZIJN BOEKEN

De derde voorwaarde van het geloof (Al-Îmaan) is te geloven in de geopenbaarde heilige Schriften.

Allâh, de Waarachtige, heeft van tijd tot tijd Zijn wensen, Zijn geboden en verboden aan de hand van Heilige Boeken aan zijn schepselen onthuld via Zijn Profeten. Deze Heilige Geschriften worden gezamenlijk de goddelijke boeken  genoemd.

Het totale aantal van deze boeken en kleinere verzamelingen van geschriften die aan de Profeten werden geopenbaard door overbrenging van Djebrâ’iel (Gabriël) (a.s.) bedraagt 104.

DE GESCHRIFTEN (AS-SOEHOEF)

Het totale aantal geschriften die werden geopenbaard is 100:

a)       10 pagina’s aan Âdem (Adam) (a.s.)

b)       50 pagina’s aan Sjitt (Seth) (a.s.)

c)       30 pagina’s aan Idries (Henoch) (a.s.)

d)       10 pagina’s aan Ibrâhîm (Abraham) (a.s.)

 

DE BOEKEN (AL-KOETOEB)

De vier boeken, ieder met de profeet die het ontving, zijn vermeld in volgorde van openbaring:

1.Taurât                      (De Thora) aan Moesâ (Mozes)  (a.s.)

2.Zaboêr                     (De psalmen)  aan Dawoed (David)  (a.s.)

3.Indjiel                      (Het Evangelie)  aan  ‘Iesâ (Jezus)   (a.s.)

4. Koran                      (zie Koran)

 

4.GELOOF IN DE PROFETEN

De vierde voorwaarde van het geloof is te geloven in de profeten. De profeten waren aparte en uitzonderlijke personen, die door Allâh, de Allerhoogste en Waarachtige, werden uitverkozen om zijn bevelen, voorschriften, verboden en Goede tijdingen te ontvangen en over te brengen aan Zijn dienaren. Voorts waren de profeten als afgezanten van Allâh gezonden om de mensen te bewegen zich af te keren van dwalingen zoals het toekennen van deelgenoten aan Allâh de Allerhoogste, of het aanbidden van afgoden. Zij kregen de opdracht om de oprechte gelovigen te leiden naar ware vrede en geluk, zowel in deze wereld als in het Hiernamaals. Omdat het menselijk verstand niet voldoende is om meteen zelf de ware weg tot redding en zegen te vinden, zond Allâh profeten om Zijn Wil en Wet bekend te maken, met het doel Zijn dienaren te helpen in hun zoektocht naar vrede en geluk. De profeten werden hiertoe ondersteund door Allâh met buitengewone wonderen, die nooit eerder waren gezien of gehoord. Dingen die gewoonlijk voor onmogelijk worden gehouden, werden gemakkelijk uitgevoerd door de goedgunstigheid en toestemming van Allâh. De eerste mens en de eerste profeet was Âdem (a.s). In tegenstelling tot de bewering vanuit de traditie van bepaalde natuurwetenschappers, dat de mens van apen zouden afstammen (de evolutietheorie), kan men de afkomst van de mens natrekken tot Âdem (a.s.). Dit wordt tegenwoordig bevestigd door de toonaangevende kant van het natuurwetenschappelijk onderzoek, waardoor hereniging van de religieuze en wetenschappelijke leer mogelijk is. Zonder twijfel moet men weten dat wij niet afstammen van apen, maar van Âdem (a.s.) (Adam) en  Hawwâ (Eva), die zuiver en puur vanuit het paradijs als mens op de aarde waren geplaatst. 

DE NAMEN VAN DE PROFETEN DIE IN DE HEILIGE QOR’ÂN ZIJN VERMELD

Van de eerste profeet Âdem (a.s) (Adam) tot en met de laatste Mohammed (vzmh) zijn er volgens een overlevering 124000 profeten door Allâh aangesteld. Volgens een andere overlevering benoemde hij er 224000.

Hiervan worden er slechts 28 in de heilige Qor’ân benoemd. De namen van de profeten die in de Heilige Qor’ân zijn vermeld en waarvan de kennis verplicht is, zijn:

01) Âdem (Adam)                                        15) Haroên (Aaron)

02) Idries ( Henoch)                                    16) Dawoêd (David)

03) Noêh (Noah)                                         17) Soeleymaan (Salomon)

04) Hoêd (Heber)                                        18) Joênoes (Jona(s))

05) Sâlih (Methusalem)                              19) Ilyâs (Elia)    

06) Ibrâhîm (Abraham)                              20) Elyesa (Elisa)

07) Loêt (Lot)                                               21) Dzoel Kifl (Jesaja)     

08) Isma‘iel (Ismaël)                                   22) Zakariyya (Zacharia)

09) Is’hâq (Isaac)                                        23) Yah (Johannes)

10) Ya‘qoêb (Jacob)                                    24) ‘Isâ (Jezus)

11) Yoêsoef  (Jozef)                                    25) ‘Oezair (Ezra) *

12) Ayyoêb (Job)                                         26) Loqmaan *

13) Sjoe‘aib (Jethro)                                   27) Dzoel Qarnain *

14) Moêsâ (Mozes)                                     28) MOHAMMED (vzmh)

*) Er wordt gezegd dat deze drie personen geen Profeten zouden zijn, maar heiligen

.

5. DE DAG DES OORDEELS

De vijfde voorwaarde van het geloof is het geloven aan de Dag des Oordeels. Geloven in de Dag des Oordeels is het geloven aan alles dat met het begrip Dag des Oordeels verband houdt, namelijk het blazen van de bazuin, de wederopstanding van de doden uit hun graven en de ter hand stelling van een ieders Boek, waarin de daden van hem of haar staan genoteerd. Voorts geloven aan de samenkomst op de vlakte voor het laatste Oordeel, aan de ondervraging, aan de weging van de daden die tijdens het leven op aarde zijn gedaan, de voorspraak ,de rivier, de brug ,aan paradijs en aan hel.

Het Hiernamaals is het eeuwige leven na het tijdelijke aardse bestaan. Allâh de Almachtige heeft deze wereld en de hele schepping voor een beperkte tijd geschapen. Met het eerste blazen van de bazuin door Isrâfiel (Raphael, a.s.) begint plotseling het laatste oordeel; alle levende schepselen sterven en onze wereld tezamen met al het omringende zal worden verbrijzeld en verdwijnt. Met het tweede blazen van de bazuin worden alle schepselen weer tot leven terug gebracht door Allâh de Almachtige en worden verzameld op de uitgestrekte vlakte van het laatste Oordeel voor het godsgericht. In aanwezigheid van Allâh de Almachtige wordt daar iedereen tot in de kleinste bijzonderheden ondervraagd over zijn of haar daden. Tevens zullen de rechtvaardigen de hun toekomende rechten ontvangen van de onrechtvaardigheden. Na het godsgericht worden de goeden in het Paradijs geplaatst en de boosdoeners in de hel. Sommigen van de mensen die in het Paradijs komen zullen de Glorierijke Visie van Allâh de Grootste ervaren. Iemand die niet gelooft aan de Dag Des Oordeels, wordt beschouwd niet te geloven in Allâh, de Enige en in zijn profeet.

 

6. GELOOF AAN  DE BESCHIKKING EN DE BESTEMMING.

EN AL-QADÂ (DE BESCHIKKING)

De zesde voorwaarde van het geloof (Al-Îmaan) is te geloven aan de Goddelijke bestemming (Al-Qader) en beschikking (Al-Qadâ). Om deze geloofsartikelen goed te kunnen begrijpen moet eerst de aard van de persoonlijke vrije wil (Al-Irâda(h) al-Djoez’iyya(h)) van de mensheid worden verklaard.

DE VRIJE WIL

Al-irâda(h) al-djoez’iyya(h)is de beperkte vrije wil, de wil om zelf te kiezen, die door Allâh de Grootste aan de mensen is verleend tot de verwezenlijking van datgene wat men wenst.

Evenwel, deze beperkte wilskracht is van heel grote betekenis. Want als men de vrije wil gebruikt voor het nastreven van een goede daad, dan schept Allâh die goede handeling. Gebruikt men daarentegen de wilskracht voor een slechte daad, dan doet Allâh dat kwaad ontstaan. Bijgevolg verwerft men of hemel of hel met de eigen keuze van de vrije wil.

Voorzeker, de Schepper is alleen Allâh de Grootste; als Allâh iets niet wenst en dus niet schept, dan gebeurt het niet en het ontstaat niet. Een mens is degene die slechts wenst en werkt, iets met zijn wil nastreeft, terwijl Allâh degene is die schept. Al-Irâda(h) al-Djoez’iyya(h), de aan mensen toegekende wilskracht, kunnen we vergelijken met het besturen van een automobiel. Men gaat in de richting waarin men het stuurwiel draait.

Het betekent, dat iemand die in de richting van het kwade heeft gestuurd, door de Goede Verordeningen van Allâh niet op te volgen, zijn verantwoordelijkheid voor z’n zondige daden niet kan ontkomen door te zeggen: “ Wat kon ik doen als Allâh het zo heeft gewild en bewerkt, (geweten en toegelaten)? Ja, Allâh had het zo gewild, omdat de wil van die persoon zich in deze richting had bewogen. Maar Hij had het ook voor Zijn dienaar gewenst dat hij zijn vrije wil en inspanning zou gebruiken in gehoorzaamheid. Bovendien, als de mens zo’n vrije wil (dat is een voorkeurs-wil) niet had gekregen, dan zou Allâh de Grootste aan Zijn dienaren ook niet de mogelijkheid en gelegenheid hoeven te geven zich te kunnen verantwoorden in een laatste ondervraging: want zonder hun vrije wil (eigen keuze) zou Hij Zijn dienaren dan hebben gedwongen het Goede of het slechte te doen. In werkelijkheid is Allâh de Barmhartige ver ervan verwijderd Zijn dienaren tot zonde te dwingen en hen er vervolgens voor te bestraffen.

 

                                                                           alt