woensdag , 23 mei 2018
Nieuwe vraag
Home » Ramadan » Het disciplineren van het ego
Ego

Het disciplineren van het ego

Eén van de wijsheden achter het vasten kan gezien worden in het feit dat het vasten een ideale vorm van aanbidding is waarbij je de mogelijkheid krijgt je nafs (ego) te disciplineren. Je nafs wilt onafhankelijk zijn en wilt doen waar het zin in heeft. Het nafs veronderstelt dat het een opzichzelfstaande macht en heerschappij is, die niet wilt inzien dat het omringd is door onbeperkte zegeningen. Als het op deze wereld enige vorm van macht en kracht kent, het zijn ogen sluit aan achteloosheid, zal het de Goddelijke zegeningen die het verkrijgt als een dier opslokken zonder zijn Schepper te gedenken die de ware Voorziener is.

Daarom zal elk nafs(ego), van rijk tot arm, tijdens de Ramadan begrijpen dat het geen koning is, maar een simpele slaaf; niet vrij is, maar een dienaar. Als het geen toestemming heeft van de ware Bezitter, zal het de makkelijkste taak niet eens kunnen uitvoeren. Als het nafs beseft dat het zijn handen niet eens kan strekken naar een glas water, zal zijn denkbeeldige heerschappij instorten en zal het de rol van een dienaar aannemen waarna het zich in zijn ware toestand; de toestand van shukr (dankbaarheid) zal bevinden.

Daarnaast zal het vasten tijdens de maand Ramadan, rechtstreeks de zelfzuchtige eigenschappen van het nafs(ego) breken. Het vasten zal het nafs doen inzien in hoeverre hij zwak en machteloos is opdat het zich bewust zal worden van zijn dienaarschap tot Allah.

In de overleveringen zien we het volgende:

De Verheven Heer zei tegen het ego: “Wie ben ik en wie ben jij?”

Het ego antwoordde: “Ik ben ik en jij bent jij.”

De Heer heeft hem bestraft en in het vagevuur gegooid. Daarna vroeg Hij het weer en opnieuw antwoordde het ego: “Ik ben ik en jij bent jij.” Wat voor straf hij ook heeft gegeven, het ego hield voet bij stuk. Daarna bestrafte de Heer het ego met honger oftewel Hij gaf het ego geen voeding.

Daarna vroeg Hij weer: “Wie ben ik en wie ben jij?”
Waarop het ego antwoordde: “U bent mijn barmhartige Heer en ik ben Uw machteloze dienaar.”

(Al-Hawbawii, Durretut’l-Waiziin, blz.11.)