zaterdag , 16 december 2017
Nieuwe vraag
Home » Vraag & Antwoord » Overige » Profeet Adam is door zijn zonde van de hemel naar de aarde gestuurd. Wij zijn echter zonder zonde te plegen naar de aarde gestuurd. Waarom hebben wij niet mogen kiezen?
Adam

Profeet Adam is door zijn zonde van de hemel naar de aarde gestuurd. Wij zijn echter zonder zonde te plegen naar de aarde gestuurd. Waarom hebben wij niet mogen kiezen?

De profeten hebben ‘ismet’ (zondeloosheid) als eigenschap, welke dus inhoudt dat ze geen zondes plegen. Ze kunnen wel kleine fouten maken, die ‘zalla’ (misstap) worden genoemd. Naast het feit dat het geen juiste uitspraak is om de profeten van zondes te betichten, kan dit hun nobele zielen kwetsen. Daarom dienen we zulke uitspraken over profeten niet te doen.

Het lot kunnen we in tweeën onderscheiden: het ‘izdirari’ lot en het ‘ihtiyari’ lot

Op het ‘izdirari lot’ hebben wij geen invloed. Dit speelt zich volledig buiten onze wil om af. De plaats op aarde waar we ter wereld komen, onze moeder, onze vader, hoe we eruit zien, onze eigenschappen/talenten, zijn voorbeelden van dit lot. Deze kunnen wij niet zelf bepalen. Dit is ook de reden waarom wij niet verantwoordelijk zijn op dit gebied.

Het tweede soort lot heeft wel met onze vrije wil te maken. Alles wat wij gaan beslissen of gaan doen, wordt door de Alomvattende Kennis van Allah geweten en is zo bepaald. Deze vraag heeft met name betrekking op dit gebied.

Dus de schepping van profeet Adam en de overige mensen is totaal verbonden aan de wil van Allah.

Het ware oord/thuis van de mensen is de hemel (het Paradijs). Daarom is de eerste mens in de hemel geschapen. Hoewel Adam zich in de hemel bevond, zijn ze niet geschapen om daar te verblijven, maar om een nog verhevener doel te realiseren zoals vermenigvuldiging (nageslacht) en als middel voor beproeving. Door deze wijsheden is hen toegestaan om het eerder besproken foutje te maken in de hemel.

Allah heeft engelen geschapen die geen zondes kunnen plegen, en dieren geschapen die geen verantwoordelijkheden hebben. Buiten deze twee schepsels om, heeft Allah de mens geschapen die zo verheven is dat het de engelen voorbij kan streven in verhevenheid en ook zo verdorven kan zijn dat het lager dan dieren kan belanden. Om te bepalen welke eigenschappen dit schepsel (de mens) heeft, is de duivel geschapen.

Bijvoorbeeld, wanneer je goud en koper van elkaar wil scheiden, dien je dit te koken met heet vuur. Zo ook heeft Allah de duivel van vuur geschapen, zodat de goede en de slechte mens zich van elkaar kunnen onderscheiden en zodat het verschil tussen de goede Abu Bakr Siddiq en de slechte Abu Djahl zichtbaar wordt.

Bovendien dienen we de zaden die zich in een opslagplaats bevinden eerst te planten in de aarde, zodat het een boom wordt. Op het oog is het duister en vervelend onder de grond. Echter is dit wel het pad dat bewandeld dient te worden om een boom te kunnen worden. Ookal verblijven de zaden duizenden jaren in een opslagplaats, dan nog kan het geen boom worden zonder eerst geplant te worden.

Zo heeft Allah de profeet Adam van het magazijn (hemel) naar de wereldse akkers gestuurd. Zodat het als boom weer naar de hemel kan terugkeren wordt het op het vuur van de duivel gezet en begraven in de aarde van aanbidding. Op deze manier bloeit het als boom weer terug naar de hemel. Onze situatie is op deze manier.

Een andere gebeurtenis die het verstand bezighoudt is de gebeurtenis waarbij Adam van de hemel wordt verwijderd, naar de aarde wordt gestuurd en dat de duivel hier verantwoordelijk voor is. Bij sommige mensen komt dan de volgende vraag op:
“Als de duivel er niet was, zou profeet Adam dan in de hemel verblijven en dus wij ook?”

Om dit uit te leggen, focussen wij op het gesprek tussen Allah en de engelen, nog voor dat Adam werd geschapen. In soera Bakara wordt dit als volgt verteld:

[En gedenk] toen jouw Heer tot de engelen zei: “Ik ga een rentmeester (khalifa) op de aarde aanstellen.” Zij zeiden: “Stel Jij iemand aan, die daar verderf zaait en bloed vergiet, terwijl wij Jou lofprijzen en Jouw heiligheid verheerlijken?” Hij zei: “Ik weet wat jullie niet weten.” (Bakara 2:30)

Zoals uit dit vers uit de heilige Koran blijkt, bericht Allah nog voordat Hij Adam heeft geschapen dat Hij de mens op aarde zal zetten. Dus dat de mensen niet in de hemel, maar op de aarde zullen leven. Het feit dat de duivel Adam heeft misleid, is slechts een sebeb (reden/aanleiding) voor het sturen van de mens naar de aarde.

Aan de andere kant heeft de mens in tegenstelling tot de engelen nafs (ego) en lusten gekregen. Om de weerkaatsing van deze eigenschappen te zien, dienen de mensen naar de aarde gestuurd te worden, dienen ze bepaalde verantwoordelijkheden te krijgen en dienen ze beproefd te worden. Tot zo ver dat de mens na deze beproeving en ervaring geschikt zal worden om de hemel te betreden of juist zichzelf geschikt maakt voor de hel.

Het is belangrijk om te weten welke betekenissen er worden toegekend aan de woorden in de heilige Koran. Met het feit in ons achterhoofd dat profeten zondeloos zijn, begrijpen we dat dit zeer zeker geen bewuste opstand is geweest van Adam. Zo geven de voorgaande verzen aan dat Adam het was vergeten:

Voordien hadden Wij met Adam een verbond gesloten, maar hij heeft dit vergeten. Wij hebben bij hem geen vastberadenheid aangetroffen. (Taha 20:115)

Het gedrag van Adam was dus geen bewuste opstand tegen de bevelen van zijn Heer, maar kwam tot stand uit vergetelheid. Daarom kunnen we dit vers i.p.v. opstand als volgt begrijpen:

Zo aten beiden ervan, waarop ze zich bewust werden van hun schaamstreken en deze met bladeren van de Tuin bedekten. En Adam was ongehoorzaam aan het gebod van zijn Heer geweest en had zich laten misleiden. (Taha 20:121)

[Het tekstgedeelte waarin ze Adam en Hawwa (Eva), zich bewust worden van hun schaamstreken kan geïnterpreteerd worden als het begaan van een daad tengevolge waarvan zij onmiddelijk bij zichzelf schaamtegevoelens ontdekten en zich letterlijk, ter bescherming, met paradijslijke bladeren bedekten.]

 

Profeten plegen geen zondes
Zondes kunnen in grote en kleine zondes worden onderverdeeld. Grote zondes zijn in hoofdlijnen: moord, zina (overspel), alcohol drinken, opstandig zijn tegenover je ouders, gokken, valse getuigenis, aan de kant staan van bid’ah die de religie schaden. (1)

Geen enkele profeet heeft noch voor de profeetschap noch erna zondes gepleegd. Echter hebben sommige profeten ‘zalla’ gepleegd welke inhoudt dat middels een fout iets wordt vergeten of dat een betere optie wordt nagelaten. (2) Dat profeet Adam van de verboden boom at, kan onder ‘zalla’ worden geschaard. Profeet Adam heeft hiermee geen zondes gepleegd zoals wij dat kennen, maar heeft een betere handeling nagelaten. Als gevolg van deze fout is hem vervolgens de hemelse gunsten ontzegd. Aangezien er in de hemel geen zonde of hasanat is, kunnen we begrijpen dat dit anders is dan de zondes zoals wij die kennen.

Eén van de gunsten van de hemel was dat er geen ‘toiletbehoefte’ was. (3) Omdat de gegeten en gedronken gunsten in de hemel geen afvalresten bevatten, hadden Adam en Hawwa (Eva) zowel geen kleine als grote (toilet)behoeftes. De awrah plekken werden met kleding of met nur voor elkaar verhuld (4) Het eten van de verboden boom zou er toe leiden dat de schaamstreken werden onthuld en dat de grote en kleine (toilet)behoeftes, welke een last zijn voor de mens, tot stand komen, waardoor Allah gebood deze boom te vermijden. (5) Vandaar ook dat na het eten van de verboden boom de schaamstreken werden onthuld (die ze niet eerder zagen) en omdat dit niet geschikt was, begonnen ze het met een blad te verhullen. (6)

Zoals eerder vermeld, dienen we de Goddelijke voorbestemming niet te vergeten in het verhaal van Adam en Hawwa (Eva). Want de wijsheid en het doel van de schepping van de mens, werd mogelijk nadat Adam en Hawwa (Eva) vanuit de hemel de aarde betraden. Abu’l-Hasen-i-Sjazali zegt over de zalla van profeet Adam:

“Wat een hikmah (wijsheidvolle) misstap, die er toe heeft geleid dat de vergiffenisvraging tot de Eind der Tijden werd gerechtvaardigd.”(7)


1. Barla Lahikası, p. 179, Said Nursi.
2. Muwazzah ilm-i Kelâm, p.184; Fıqh-al Akbar Sjarh, p.154; Risale-i Hamidiye, p. 491.
3. Muslim, Djennah: 15.
4. Tefsîr-i Kebir , 14:49, Fakhr ad-Din ar-Razi
5. Hulasatul-Beyan ,2:4748, Mehmed Vehbi Efendi.
6. Soera A’raf, 22.
7.Risale-i Hamidiye ,s. 611, Said Nursi.