maandag , 20 augustus 2018
Nieuwe vraag
Home » Vraag & Antwoord » Dood & Hiernamaals » Wat zal er in het Hiernamaals gebeuren met degenen die geboren en getogen zijn in niet-islamitische landen?
Hiernamaals

Wat zal er in het Hiernamaals gebeuren met degenen die geboren en getogen zijn in niet-islamitische landen?

Degenen die deze vraag stellen suggereren dit: “Aangezien we in Allah en zijn Profeet (vrede zij met hem) geloven, zullen wij naar de hemel gaan! Maar degenen die geboren en getogen zijn in niet-islamitische landen profiteren niet van het Godde­lijk Licht en Leidraad; dus zullen zijn naar de hel gaan”. De vraag is een betwistbare kwestie, dat enerzijds een groter zorg voor de niet-moslims dan Allah pretendeert en anderzijds onopge­merkt in de heimelijke kritiek  van de islam op gaat.

Er bestaat geen algemene verordening of bepaling in de islam die zegt dat degenen die in niet-islamitische landen leven  naar de hel zullen gaan. Eerder nog, de bepaling is als volgt; degenen die naar de hel zullen gaan zijn mensen die de boodschap en uitnodiging van de profeet Mohammed (vrede zij met hem) afgewezen hebben uit haat en koppig­heid en hun oren ervoor hebben gesloten en zich ervan hebben afgewend. En dus getuige waren van de Waarheid en het Licht van de islam aanschouwd hebben. Het pretenderen van een grotere barmhartigheid en medelijden dan het Medelij­den van Allah is de grootste brutali­teit die er be­staat. Of zij die de Goddelijke Boodschap hebben gehoord in islamitische landen leven of niet, doet minder ter zake. Het is van groter belang of men zich bekommert om de Boodschap en gehoorzaam aan deze is. Degenen die zich daaraan onttrekken zullen daadwerkelijk naar de hel gaan en eeuwig lijden.

De vraag die gesteld is, is één van de kwesties die uitvoe­rig behandeld zijn door de islamitische geleerden, die overvloe­dig gesproken en ge­schre­ven hebben over het belang van de Koran en Hadith (overleverin­gen van Profeet (vrede zij met hem)) met betrekking tot dit onderwerp. Maar waarom besteedt men zoveel aandacht aan dit soort vragen, terwijl er tegenwoordig veel meer dringendere kwesties zijn? Als men een antwoord weet te krijgen, hoe zal het hun leven dan be­nvloeden en veranderen? Wat zullen ze bereiken betreffende  hun leven in het Hiernamaals? Hoe zal het antwoord het dagelijkse praktijk en levensstijl beïnvloeden van degenen die het vragen, of van degenen namens wie het is gevraagd?

Is er ver­schil tussen degenen die vrijwillig ongelo­vig zijn en degenen die geen gelegen­heid hebben gehad om van de islam te horen? Zullen de laatstge­noemden naar de hel gaan en de zelfde straf krijgen? Het ant­woord zal worden gegeven in het kader van de standpun­ten van de imams van de islamiti­sche theologie.

De ‘Asharis’ beweren dat wie niet de naam van Allah heeft gehoord en niet de gelegenheid heeft gehad om Hem te leren kennen, ongeacht de plaats waar men leeft en de manier waarop men leeft, niet gestraft, maar veeleer “vrijgesteld”  zal worden. Als Allah wil, beloont Hij zulke mensen naar de mate van goedheid die ze verricht hebben. En ze zullen dan van de zegeningen van de hemel genie­ten.

Het denkbeeld van de Maturidis komt ongeveer overeen met die van de Mu’tazilieten. Ze beweren dat als men zijn Schepper door middel van zijn verstand vindt, ook al kent men Zijn Naam of “Attributen” niet, men dan niet voor eeuwig gedoemd zal zijn. In feite verschilt deze stelling niet zo van die van de ‘Asharis’, ofschoon het op het eerste gezicht wel zo lijkt. Volgens de Maturidis maakt het niets uit waar men leeft. Of iemand in de bergen, in een woestijn of op een eiland leeft, hij kan altijd de opkomst of de ondergang van de zon en de maan , het fonkelende licht van de sterren, de harmonie en de ordening van de schep­ping, de pracht en praal en de regelmatigheid te midden van de enorme variëteit op het aardoppervlak, de reusachtigheid van de bergen en de zachte kalme briesjes die over hun oppervlakte strelen en de sensationele kleuren en bewegingen van bloe­men, bomen, en dieren waarnemen. Al deze dingen zijn tekenen van de Bezit­ter, de Schepper, de Grootste Erbarmer en Waker over alle dingen. Men kan dus het bestaan, de kracht en de gunst van de Schepper waarnemen en erkennen zonder Zijn Naam, Zijn ‘Attribu­ten’ of Zijn Boeken en Bood­schappers te hebben gekend. Zo’n persoon behoort dan tot de verge­venen. Daarom moet men niet roekeloos beweren dat mensen die in niet-islami­tische landen leven naar de hel zullen gaan als ze niet in Allah geloven. Men moet veeleer zwijgen, gezien de opvat­tingen van de islami­tische geleerden.

Imam Ashari leidt zijn oordeel af uit een vers in de Koran: “We zullen nooit straffen voordat We een Profeet hebben gezonden” (Koran, 17:15). Dus iemand zal niet gestraft worden voor een fout die hij begaan heeft, voordat hij een rechtmatige waar­schu­wing heeft gekregen door een ware profeet.

Volgens de Matu­ridis is het verstand een belang­rijk ver­mogen dat in staat is om het goede van het kwade te onderschei­den, maar het zou te ver gaan om te zeggen dat het verstand alléén in staat is om alles uit te pluizen. Daarom beveelt Allah het goede en verbiedt het ver­keerde, en laat de zaak nooit helemaal over aan het oordeel en de bevin­ding van de mens, omdat ze feilbaar zijn. Hij draagt Zijn verbo­den en geboden aan mensen over door middel van profeten, en dus laat Hij de mensen nooit in het ongewis. Het argument van de Maturidis luidt als volgt: “Het verstand kan tot de conclusie komen dat overspel en ontucht slecht zijn, omdat de stamboom en de afkomst verstoord en gestagneerd worden, met alle kwalijke gevol­gen van dien, onder andere die voor de verde­ling van erfgoed”. Door het verstand te gebruiken kan men erop komen dat diefstal slecht is, want als het normaal zou zijn dat je bezittingen van hem steelt die het verkregen heeft door hard te werken, niemand dan in enige zekerheid kan leven. Het verstand kan ook ontdekken dat het drinken van alcoholische dranken slecht is, omdat je daardoor het bewustzijn kunt verliezen, het je gezondheid kan schaden, je vatbaar kan maken voor allerlei ziekten en  zelfs het nageslacht kan aantasten. Hetzelfde geldt ook voor wat goed is zoals rechtvaardigheid, goed gedrag tegen­over anderen en derge­lijke. Dit alles wordt als goed beschouwd door het verstand.

Vertrouwen en geloven in Allah is ook een goedheid dat het verstand kan vatten, omdat het geloof ons tot voldoening en innerlijke rust leidt. Reeds op deze wereld beginnen we het gevoel van tevredenheid te beseffen dat we zullen ondervinden in de hemel. De weg naar het geloof is niet zo moeilijk dat het ontoegankelijk is voor het verstand. Zoals het geval van de Bedoeï­en, die naar de Profeet (vrede zij met hem) kwam en hem uitlegde hoe hij zich tot het geloof bekeerd had: “De uitwerpselen van een kameel wijzen erop dat een kameel bestaat. Voet­sporen in het zand duiden de aanwe­zig­heid van een reiziger aan. De hemel met al zijn sterren, de aarde met zijn bergen en valleien en de zee met zijn golven, zijn zij niet het bewijs van de aanwezigheid van de Schepper, de Almach­tige, de Grootste Erbarmer? Deze Bedoeïen ging in Allah geloven door zijn verstand te gebrui­ken. Daarom moeten en mogen we de rol van de rede en de gedachte in het geloof niet onderschatten. Vanuit dit oogpunt gezien wil Maturidi zeggen dat men zijn Schepper door het gebruik van het verstand kan vinden. Er zijn veel goede voorbeelden uit de pre-islamitische periode.

Één ervan is Waraqa b. Nawfal, neef van umm al-mu’minin (de moeder der Moslims), Khadija (ra), de eerste vrouw van de Profeet Mohammed (vrede zij met hem). Waraqa had het gevoel dat de Pro­feet (vrede zij met hem) in zijn levensperiode zou verschijnen. Toen de eerste openbaring aan Mohammed (vrede zij met hem) kwam, zag hij (Moham­med) de Engel Gabriël die de hele horizon en de hemel liet schit­teren door zijn groot­heid. De Profeet (vrede zij met hem) kwam naar huis terug en met klop­pende hart vertelde hij Khadija (ra)  wat hij gezien en gehoord had, terwijl hij haar smeekte om hem toe te dekken. Khadija (ra) ging naar Waraqa om zijn advies te vragen, en hij bevestig­de de waar­heid van de missie (profeetschap) en de openbaringen van Mo­ham­med (vrede zij met hem). Waraqa behoor­de tot degenen die de aangekondigde tekenen van de komst van de Profeet (vrede zij met hem) al wisten en aanvoelden. En de tekenen lieten al van zich horen. Zodoende begreep Waraqa dat er nooit iets goeds van de kant van de afgoden zou komen en negeerde hij hun. En door zijn eigen gezond verstand te gebruiken geloofde hij in het bestaan van één God.

Nog zo’n iemand was Zaid b. Amr, de oom van Umar bin al-Khattâb (ra). Hij vereerde de afgoden niet meer, maar aanbad de Enige God. Hij verachtte de afgoden en vertelde de mensen dat ze onecht waren en men niets goeds van hen kon ver­wachten. Hij wist dat de komst van een Profeet nabij was. Echter, zoals Allah wenste, leefde hij niet lang genoeg om de Profeet Mohammed (vrede zij met hem) in levende lijve te zien. Maar hij wist intuïtief wel van zijn komst. Hij riep zijn zonen Said en Umar en de andere familiele­den aan zijn sterfbed en zei: “Het Licht van Allah ver­schijnt aan de hori­zon. Ik geloof zeker dat het spoedig zal ver­rijzen. Ik voel al zijn tekenen boven onze hoof­den. Zodra de Profeet (vrede zij met hem) komt, moeten jullie zonder tijd te verlie­zen naar hem toegaan en je bij hem aan sluiten”. Wat de mensen zelf met hun handen hebben gemaakt kan God niet zijn, of in behoeften voorzien. Deze mense­lijke scheppingen hebben zelf de mens nodig. Hoe kan iets wat zelf in behoeftige omstandigheden verkeert, aan de wensen van de mens tegemoetkomen? Door zulke simpele redena­ties kan men komen tot de noodzaak om de Heer van de aarde en de hemel te leren kennen. Echter, als men zijn verstand richt op de Openbaring, dan is zijn noodzaak om te weten al aangewak­kerd en de weg naar de eeuwige gelukzaligheid ligt voor hem open.

Om het kort te houden, degenen die de Profeet (vrede zij met hem) hebben gezien en over hem en de Koran gehoord hebben, maar nooit de behoefte hebben gehad om verder te zoeken en om meer over hem te weten te komen zullen niet naar de hemel gaan. Van degenen die onvrijwillig in onwetendheid verkeerden en die ook niet de geringste kans hebben gehad om de Koran en de Profeet (vrede zij met hem) te leren kennen, mogen we echter hopen dat zij van Allahs Genade mogen profiteren. En ze zullen niet beschuldigd en gestraft worden voor fouten die ze begaan hebben uit onwetend­heid.

Deze vraag brengt het verschil tussen de vroegere en huidige Moslims naar voren en de plichten van moslims tegen­over de niet-moslims.

De eerste Moslims leefden volledig volgens de islam, vertegen­woordigden en ver­spreidden de Boodschap, geopenbaard aan Mohammed (vrede zij met hem) over een breed gebied en wakkerden het collectieve gewetensgevoel van de mensheid aan. Vele eeuwen later, als we hun levensverhalen lezen, kunnen we zo’n grootheid in hun islamitisch denken en leven waarnemen dat het ons duidelijk wordt waarom mensen niet onverschillig waren voor de Bood­schap die ze brach­ten. Ze waren onbevreesd en onbedwingbaar en sloegen totaal geen acht op de zorgen, genoegens en lijden van het wereldse, dage­lijkse leven, zodat ze een duurzame indruk hebben achtergelaten op de wereld.

Dankzij hun op­rechtheid en dienstijver hoorde een groot aantal mensen de boodschap van de islam binnen een zeer korte tijd. Ze waren zo verheven, diepgaand en grondig in hun handelen en geestes­kracht, dat in de tijd van kalief Uthmân het licht van de islam zich uit­spreidde van de Straat van Gibraltar tot aan het Aral Meer, en van de gebieden van Anatolië tot aan de Grote Muur van China. Tijdens de periode van de Mu’awiya (een metgezel van de Profeet (vrede zij met hem)) bereik­ten de Moslims de Atlantische Oceaan. Heel Marok­ko, Tunesië en Algerije schit­terden onder de glorierij­ke vlag van de islam. In minder dan 30 jaar, na de laatste openba­ring aan de Pro­feet (vrede zij met hem) hebben de Moslims de islam in deze landen bekend­gemaakt (verspreid). Daar de moslims zelf de islam volledig beleefd en nageleefd hebben, respecteerden en bewonderden de meeste mensen hun en voelden zich tot hen aangetrokken. En zodoende sloten zij zich aan bij het geloof.

De Christenen en de Joden in die landen prefereerden een staat geregeerd door Moslims boven die van hun eigen mensen. Toen de Moslims Damas­cus moesten verlaten kwamen de Christenen bij elkaar met hun religieuze leiders en verzochten hun niet te vertrekken. Maar toen de Moslims daadwerkelijk weggingen, beloof­den de Christenen dat ze onder hun bewind zouden leven en dat ze de volledig verschuldigde rijksbelasting (jizya) zouden betalen als de Moslims in staat waren in de toekomst terug te keren. Boven­dien deed de eerlijkheid van de Moslims een groot aantal mensen bekeren tot de islam. Het is trouwens onmogelijk voor te stellen dat het anders kon aflopen, aangezien die mensen de eerste Moslims zagen, van wie de meesten  Umar bin Khattab (ra) “verte­genwoordigden”, die bekend was om zijn oprecht­heid en toewijding. Zij waakten ’s nachts gedurende lange tijd en waren overdag legendarische krijgers te paard. Ze haalden zeer veel mensen over en imponeerden ze, zodat ze alle­maal geloofden dat alle poorten  van de hele wereld spoedig voor ze open zouden gaan.

Als we bedenken dat mensen tegenwoordig niet eens geborgen­heid kunnen verschaffen, zelfs niet in een klein gebied voor hun eigen gemeenschap, dan begrijpen we hoe groot de prestatie van de eerste Moslims was. Als beloning voor hun geborgenheid, betrouw­baarheid, wijsheid, fijn­heid van geest en vroomheid waren de deuren van veel kastelen en steden geopend voor hen, niet als eervolle titelhouders of bezoekers, maar als bestuurders en heersers.

Toen de Moslims de leiding over Syrië en Palestina overna­men, vroegen de legerleiders om de sleutels van de Masjid al-Aqsa (één van de beroemde moskeeën). De Patri­arch die in het bezit was van de sleu­tels vertel­de hen dat ze wisten hoe de persoon die de sleu­tels in ontvangst zou nemen eruit zag en dat het onmogelijk is om ze over te dragen aan een ander. Terwijl ze aan het rede­twis­ten waren, begaf de kaleif Umar (ra) zich al op weg vanuit Mekka naar Palestina. Niemand wist hoe hij zou reizen. Maar het was de Patri­arch en de pries­ters bekend hoe degene die de sleu­tels zou ontvangen zou komen. Umar bin Khattâb (ra) had een kameel van het staatsei­gendom geleend. Hij had ook een paard kunnen  lenen, maar had dat niet gedaan. Hij had een kameel genomen om er beurte­lings met zijn dienaar, die hem vergezelde tijdens de reis, op te rijden.

Toen de aan­voerders van de Moslims hoorden dat Umar (ra) met een kameel aankwam, baden zij tot Allah dat als ze de rivier zouden overste­ken het dan niet de beurt was van Umar om te lopen. De Byzantijnen waren gewend om hun heer­sers in pracht en praal te zien. Dus de aanvoerders van de Moslims dachten dat het voor de kaleif mis­schien beschamend zou zijn als hij zou worden gezien met een kameel waarop de dienaar reed en hij de teugels vasthield en met opgerolde broeks­pijpen, de rivier overstak. In feite was de politieke pracht en praal een schijn­heilige verto­ning en Umar (ra) probeerde het te vermijden. Niette­min geschiedt alles volgens de Wil van Allah. En juist datgene gebeurde waarvoor de aanvoerders vreesden. Daarnaast had Umars (ra) kleding, totaal versleten en uitgedragen, vele erop genaaide lapjes. Toen de Patriarch deze figuur zag, riep hij luid: “Dit is de man wiens beschrij­ving in onze boeken staat. Dus zal ik hem de sleutel overhandigen”. Vanwege de voorkennis, verkregen uit hun boeken, wisten de priesters al hoe Umar (ra) eruit zou zien en hoe hij de rivier zou oversteken. De overhan­diging van de sleutel van de Masjid al-Aqsa aan de Moslims leidde tot de aanvaarding van de islam door veel mensen.

Uqba b. Nafi, een man met een groot ijver, behoorde tot degenen die erop uittrokken om mensen over de hele wereld over de Waar­heid in te lichten. De verovering van Afrika was ten dele aan hem te danken. Na succesvolle overwinningen werden sommige mensen jaloers op zijn roem en spraken slecht over hem tegen de kaleif. De kaleif werd opgehitst en Uqba werd ontslagen uit zijn func­tie. Hij werd gearres­teerd en werd zodoende afgehouden van zijn  pogingen om de islam aan de mensen te verkondigen. Gevangen genomen voor vijf jaar, werd zijn enige smart en grote verlangen zó te kennen gegeven: “Ik wou dat ik de islam over heel Afrika kon verspreiden. Dit is mij onmogelijk gemaakt. Dat is het enige wat ik betreur”. Door Uqba vrij te laten en hem vervolgens tot bestuurder van Afrika te benoemen, heeft Yazid een goede daad verricht en veel van zijn wonden geheeld. Als compensatie voor al het onrecht dat hij te verduren heeft gehad. Hij opende de weg om Afrika alsnog te veroveren en de islam in dit hele gebied te verspreiden wat voorheen bijna gelukt was, maar tot een einde was gekomen door de arres­tatie van Uqba. Uqba bereikte de Atlantische Oceaan met een enkele veldtocht. Hij kon met zijn paard de Oceaan niet oversteken en schreeuwde: “O, Allah! Als deze donkere zee me niet had verhinderd verder te gaan, dan had ik Uw Heilige Naam in de overzeese landen bekend hebben ge­maakt. Als er iemand toen in staat was geweest om hem over het continent Ame­rika te vertellen, dan zou Uqba zeker van plan zijn geweest om daar hoe dan ook naar toe te gaan.

Deze eerste­ Moslims ver­over­den de gebieden die nu Azerbad­jan, Iran, Irak, Noord-Afrika, Bukhara, Tashkent en Samarkand genoemd worden. Het zijn die plaatsen die Bukhari, Muslim, Tirmidhi (dit zijn de drie van de zes grote ha­dith-verza­me­laars), Ibn Sina, al-Farabi en Biruni voortbrach­ten in een tijdperk van vijfentwintig jaar, in minder dan een enkele gene­ratie. De eerste Moslims droegen de boodschap van de islam over in bijna elk van de toen bekende gebieden in de wereld; en ze zorgden ervoor dat de glorierijke vlag met daarop:

“Er is geen ander Schepper dan Allah en Mohammed is Zijn Boodschapper” vol trots wapperde in vele landen.

In ons geval doen we nauwelijks de moeite om over de Waarheid te vertellen aan mensen in onze omgeving, laat staan dat we naar andere landen gaan en de mensen over de islam inlich­ten. Sommige mensen willen misschien wel naar ons luisteren, maar we slagen er helaas niet in hen te overtuigen. Onze woorden keren terug tot ons als van een muur van ijs, koud. De woor­den verla­ten onze monden wel, maar ze dringen niet door tot de harten en de zielen van de mensen. Door dit te zeggen is het niet onze bedoe­ling om ondankbaarheid te tonen voor de zegeningen die we wel hebben. We willen slechts aandacht schen­ken aan het feit dat er een groot, werkelijk onmeetbaar verschil bestaat tussen onszelf en de kwaliteiten van de mensen die de Metgezellen (moge Allah tevreden met hen zijn) van de Profeet (vrede zij met hem) waren.

Zij brachten de Boodschap over aan alle mensen en zagen deze taak als het enige doel van hun leven. Als ze niet in staat waren om het te vol­bren­gen, hadden ze medelijden met de mensen en de landen die zich niet bewust waren van de Waarheid. Daarentegen zijn wij niet eens in staat om de Islam volledig in ons indivi­dueel bestaan te vertegenwoordigen en nog minder in staat om zijn boodschap over te brengen aan de grote menigte over de grens. Wij hebben ons overgegeven aan onze per­soonlijke behoeften en zorgen; en we hebbend niet de hoogste prioriteit gegeven aan het werken in dienst van Allah. We denken helaas maar al te goed aan de paden die naar onze huizen, banen en ons wereldse leven leiden. Degenen onder ons die naar het buitenland zijn gegaan, naar niet-islamitische  landen zijn daarheen gegaan om dollars, ponden, marken of franks te verdienen en niet om de islam in die landen te verspreiden. Daarom zijn wij niet in staat ze de ingezetenen kennis te laten maken met de grote Waarheid.

Als tegenwoordig de niet-Moslims in dwaling, verdorvenheid en ongeloof leven, wat te wijten is aan onze onachtzaamheid, luiheid en onbekwaam­heid, dan zullen wij daarvoor zeker rekenschap moeten geven. Als zij verantwoording moeten afleggen hiervoor, dan zal zeker ook ons het een en ander ten deel vallen. Lezingen en seminars geven en forums organiseren zijn niet de enige manier om de islam te verspreiden. Zulke activiteiten kunnen beschouwd worden als een goede poging om het pad te leren kennen dat naar Allah leidt, maar zij vormen op zich niet het echte middel in dienst van de verspreiding van de islam. Als een echte dienst voor de islam wordt vergeleken met een groot paleis dan zijn onze pogingen tot dusverre niet meer dan de eerste ingang tot het paleis: we zijn nog niet eens echt begonnen met onze taak.

Daarom zullen velen het spoor bijster raken. Nu en dan zijn we naar die mensen gegaan om hen de islam te vertellen, maar we hebben ons niet behoed voor nutteloze twist­gesprekken en conflicten tussen onszelf. Wij zijn zeker niet in de buurt gekomen van het niveau van vertegenwoor­diging van de islam door Umar (ra), Uqba b. Nafi en andere personen met dezelfde hoedanig­heid. Wie weet hoe hun tegenstanders overvallen waren door angst vanwege hun vastberaden moed, hun onbedwingbare toewijding aan Allah; of door verbazing bevangen waren vanwege hun betrouwbaar­heid, loyaliteit, rechtvaardigheid en menslievendheid, waardoor ze vol verwondering tenslotte de islam aanvaardden. Het feit dat veel landen waarin nu moslims leven, uitzonderingen daarge­laten, waren veroverd door deze eerste Moslims, bewijst genoeg wat absolute oprechtheid in dienst van Allah kan bereiken.

Vanuit dit perspectief bekeken krijgt de vraag over niet-moslims, vooral degenen die in niet-islamitische landen leven, een ander aspect. We moeten de niet-Moslims met grotere toleran­tie behandelen en tegen onszelf zeggen: “We moeten ons schamen. We zijn er niet ge­slaagd om de boodschap van de islam te verkon­digen en ze het Licht te brengen en uit de duisternis waarin ze leven te halen”. Ter verduidelijking zal het helpen om hier een waar gebeurd verhaal over een Duitse familie te vertellen.

Een Turkse arbeider kreeg onderdak bij een Duitse familie. Hij schonk grote aandacht aan religieuze plichten en volbracht ze nauw­gezet. Behalve tijdens de werkuren, liet hij het nooit na om de familie over de islam te vertellen. Na een tijdje werd de huisbaas moslim. Zijn vrouw zei tegen hem, net zoals eens de vrouw van Amir b. Tufail had gezegd: “Wij zijn tot nu toe altijd bij elkaar geble­ven. Laten we in de toekomst ook bij elkaar blijven. Samen op de Sirat (de brug van deze wereld naar de hemel) en ook in de hemel. Als de islam werke­lijk ertoe leidt dat je hemelse gebie­den kunt betre­den, zoals je zegt, waarom zou ik me dan van zo’n zegen onthou­den, terwijl jij er wel van zou genie­ten?

Ze maakte haar woorden af met kalimat al-tawhid:

“Er is geen ander God dan Allah en Mohammed is Zijn Boodschap­per”.

Met hun kinderen die ook de islam als godsdienst accep­teerden was de familie compleet gewor­den en hun huis vormde een buitenpost van de hemel. Een paar dagen later ging de gastheer naar de Turkse arbeider en zei  verras­send: “Ik kan je niet genoeg bedanken voor het feit dat je een eervolle gast voor ons bent geweest. Soms wordt ik echter kwaad op je en ik kan me dan niet bedwingen om je echt af te ranselen. Door jouw komst hebben wij de Koran, de Profeet (vrede zij met hem) en God leren kennen. Mijn huis kreeg een hemelse sfeer. Maar ik had een vader. Hij was een erg fatsoen­lijke goede man. Hij overleed een aantal dagen voor je komst. Waarom kon je niet wat vroeger komen om hem ook over de islam te vertel­len?” Deze woorden geven waarachtig de stem, het beklag, de berisping van de hele niet-islamitische wereld weer. We zijn er niet in geslaagd hen van de islam te overtuigen. Zelfs in onze eigen landen hebben we niet genoeg moeite gedaan en steun gegeven ter wille van de islam om ervoor te zorgen dat onze eigen mensen de islam behoorlijk kenden.

De vraag kan ook vanuit een ander gezichtspunt bekeken worden, namelijk: degenen die ons van de islam verwijderd hebben, beloof­den altijd een leven volgens westerse standaard. Maar we bedelen na 150 jaar nog steeds aan de deuren van het Westen. Er is weinig veran­derd en we kunnen niet zeggen dat we in enig belangrijk opzicht vooruit gegaan zijn. Gedurende anderhalve eeuw heeft het Westen ons gezien en behan­deld als hun arbeiders die hun eigen vaderland verlieten voor een hongerloon. Zelfs toen we hen over de gouden principes van de islam wilden informe­ren, de beste van alle boodschappen, welke de deuren van het Paradijs voor hun zouden openen accepteerden de christenen en de joden het niet. Ze wilden de kwaliteit en de waarde van de islam niet inzien. Dit komt deels door het feit dat ze ons als verachtelijke onder­geschikte arbeiders zien. Zoals altijd kan een rijk iemand zich moeilijk voorstellen dat hij iets van de bedelaar voor zijn deur nodig heeft.

Vandaag de dag is de islamitische wereld bepaald geen achtens­waardig voorbeeld voor de rest van de wereld. Integendeel, het is verscheidene keren op vele terreinen verslagen en onder­geschikt gemaakt aan het Westen. Alleen als wij de islam volledig praktizeren en vertegenwoordigen en naar de niet-moslims gaan met zelfvertrouwen, eerge­voel, waardig­heid en grootheid en dit alleen doen ter wille van God, net zoals onze voorva­deren en eerste moslims dat hebben gedaan; dan pas kunnen we verwachten dat ze echt naar ons luisteren en de roep van de islam accep­teren. We mogen het niet accepteren, en dat gebeurt nog steeds, dat ze ons beschouwen als dienaars en bedelaars, maar zolang we onze ware islami­tische identiteit niet hebben teruggevonden, geven we hun een excuus ons zo te beschouwen en te behandelen. Het is zeker dat, als ze rekenschap moeten geven van hun stand­punten en gedrag in het Hiernamaals, we dan ook, gefaald in het overleggen van de islam aan hen, ondervraagd en gestraft zullen worden voor onze laksheid en nalatigheid in deze. Dus de verantwoordelijkheden van Moslims en niet-moslims moeten op gelijke hoogte in acht worden genomen. Oordelen over hen moeten terecht en rechtvaardig zijn. De overtuiging die alle niet-moslims tot de hel verdoemt alleen omdat ze niet-moslim zijn is ons vreemd. Ook de ijdele gedachte dat als wij eens op non­chalan­te en ondoordachte wijze zullen trachten de waarde van de islam te verkondigen, de mensen ons dan zullen volgen, is ons vreemd. Ook bestaan er nutte­lo­ze mijme­rin­gen zoals de veron­der­stel­ling dat als men eens op een opper­vlak­kige manier de waarde van de islam noemt, we dan zomaar mensen kunnen bekeren.

We geloven dat in de nabije toekomst een aantal zaken in de wereld zullen veranderen. Vooral in Turkije, Centraal Azië, Egypte, Pakistan en in sommige andere landen zullen de Moslims hun zelfbewustzijn inzake de islam herkrijgen. En er zullen mensen met een edelmoedig karakter zijn die niet meer het wereld­se na zullen  streven, maar alleen leven in de ijver om de islam en zijn verhe­ven normen en waarden aan de mensen duidelijk te maken. Alleen door ondersteunde, gerichte pogingen zal de islam een groot inbreng hebben op het evenwicht in de wereld. Het zal worden gerespec­teerd en gewaardeerd. De stem van de Moslims die niet-moslims oproepen tot toetreding in de islam, zal gehoord worden.

Dit is niet iets onmogelijks. Het zal veeleer zeker gebeu­ren. Maar degenen die erin slagen zullen mannen en vrouwen van goed karakter zijn, wiens harten vervuld zijn van de islam. En niet de schijnheilige en inadequate mensen die alleen aan hun lichame­lijke behoeften denken en die zich alleen met de islam bezighou­den in hun vrije tijd.