zondag , 18 april 2021

Ashabi Soeffa

De Masjid an-Nabawi was al gedurende het leven van de Profeet, vrede zij met hem, het sociale centrum van de stad Medina, een school, gebedsruimte en het huis van de Profeet, vrede zij met hem. Een deel van de Masjid an-Nabawi was bestemd als internaat voor 400-500 jongeren, de zogenoemde ‘Ashabi Soeffa’. Dit waren jonge, dakloze en ongehuwde metgezellen zonder naasten die zich toewijdden aan het opdoen van kennis en het memoriseren van de Koran onder begeleiding van de Profeet, vrede zij met hem.

Aboe Houreira (Moge Allah tevreden zijn met hem) overleverde de volgende gebeurtenis:

“Ik leidde honger en bond soms zelfs een steen op mijn buik om mijn honger te stelpen. Op een dag zat ik langs een openbare weg en op een gegeven ogenblik liep de Boodschapper van Allah langs. Hij begreep mijn toestand en riep ‘O Aboe Houreira kom met mij mee!’

We gingen samen naar zijn huis. Hij trad zijn huis binnen. Ik vroeg om toestemming om ook binnen te treden. Vervolgens ging ik ook naar binnen. Hij vond een vat met melk en vroeg waar het vandaan kwam. ‘Iemand heeft het als gift gestuurd’ werd gereageerd. Vervolgens beviel hij mij, ‘O Aboe Houreira, ga naar de Ashabi Soeffa en roep hen naar mij toe!’.

De Ashabi Soeffa waren de gasten van de islam. Ze hadden geen gezinnen, goederen en dergelijke. Als de Boodschapper van Allah een cadeau ontving dan bewaarde hij een deel voor zichzelf en stuurde hij het overige deel naar hen. Indien hij aalmoes ontving wat bestemd is voor hem of zijn gezin dan stuurde hij dit in zijn geheel door naar de Ashabi Soeffa. Hij bewaarde niks voor zichzelf!

Het bevel van de Boodschapper van Allah beviel mij niet. Ik dacht bij mijzelf namelijk dat ik wel het hele vat in mijn eentje op zou kunnen drinken om vervolgens weer op de been te kunnen komen. Als ik het melk zou delen met de Ashabi Soeffa zou er niks voor mij overblijven, dat wist ik. Echter, er was geen ander optie dan het gehoorzamen van het bevel van de Boodschapper van Allah.

Ik ging vervolgens naar de Ashabi Soeffa en riep hen naar de Profeet. Vervolgens kwamen zij en namen plaats bij de Profeet. De Profeet, vrede zij met hem, vroeg mij om hen het vat met melk aan te reiken. Ik pakte ’t vat met melk en gaf het aan de metgezellen van de Ashabi Soeffa. Ieder van hen dronk tot ze verzadigd raakten en gaven ‘t vat door aan elkaar. Nadat de laatste metgezel van de Ashabi Soeffa van het melk gedronken had gaf ik het vat aan de Boodschapper van Allah.

Er was maar weinig melk over in het vat. Hij keek op naar mij en glimlachtte en zei ‘Aboe Houreira, wij zijn de enige die nog niet gedronken hebben’. Waar ik bevestigend op antwoordde. Vervolgens zei Hij: ‘Zit en drink ook van het melk’. Ik zat en begon te drinken. ‘Drink nog meer’ zei hij. Hij drong mij steeds aan om nog meer te drinken. ‘Meer, meer’ zei Hij. Tot slot antwoordde ik ‘Ik zweer bij Allah die jou met het ware geloof heeft gestuurd, ik heb geen ruimte over in mijn maag om meer te drinken.’ De Profeet zei vervolgens: ‘Geef het vat dan maar door aan mij’. Ik reikte Hem het vat toe. Hij dankte Allah en dronk de resterende melk uit ‘t vat op.”
(Boukhari, 4/89; Tirmidhi, 4/648-649)