Verplichting tot vasten en uitstel bij excuus
In sūrah al‑Baqarah worden de algemene regels voor het vasten van Ramaḍān uiteengezet. De verzen maken een onderscheid tussen het verplichte vasten voor gezonde personen en het uitstel voor personen met een tijdelijk excuus:
Allah zegt:
فَمَنْ كَانَ مِنْكُمْ مَرِيضًا أَوْ عَلَىٰ سَفَرٍ فَعِدَّةٌ مِنْ أَيَّامٍ أُخَرَ ۚ وَعَلَى الَّذِينَ يُطِيقُونَهُ فِدْيَةٌ طَعَامُ مِسْكِينٍ ۖ
Maar degene die dan van jullie ziek is, of op reis, dan een aantal andere dagen. (Koran 2:184)
De klassieke mufassirūn leggen uit dat “ziek” hier niet beperkt is tot de letterlijke zieke; iedereen die tijdelijk niet kan vasten (bijv. wegens ziekte, zwangerschap of borstvoeding) valt hieronder. Ibn Qudāmah spreekt van consesus hierover.[1]
In vers 184 wordt een aanvullende richtlijn genoemd: “Voor wie het vasten slechts met grote moeite kan volhouden is er een fidyah: het voeden van een behoeftige…”. Ibn ʿAbbās legt uit dat deze fidyah oorspronkelijk gold voor oude mensen die wel wilden, maar het vasten niet meer konden volhouden.[2]
De geleerden beschouwen dit vers niet als bewijs dat zwangere vrouwen van het vasten zijn vrijgesteld; zij dienen de dagen wel in te halen.
De overgrote meerderheid van de fuqahā’ begrijpt uit deze verzen dat het tijdelijk laten vallen van het vasten bij angst voor schade een concessie is, geen permanente vrijstelling. Na de Ramadan moet daarom worden ingehaald (qaḍā’) een gelijk aantal dagen. Alleen in bepaalde gevallen wordt naast het inhalen ook een fidyah (het voeden van één arme per gemiste dag) verplicht.
Hadith over de reiziger, zwangere en borstvoedende vrouw
Een bekende hadith – overgeleverd door Anas ibn Mālik al‑Kaʿbī – luidt:
“Allah heeft van de reiziger de helft van het gebed afgenomen en van de reiziger de verplichting van het vasten, en Hij heeft het vasten opgeheven voor de zwangere en borstvoedende vrouw” [3].
De sahābā Ibn ʿUmar en Ibn ʿAbbās begrepen hieruit dat de zwangere en borstvoedende vrouw, net als de hoogbejaarde man of vrouw, alleen een fidyah hoeven te geven en niet hoeven in te halen. Deze opvatting werd door latere geleerden beschouwd als een zeldzame mening en vormt niet de madhhab van de vier soennitische rechtsscholen. [4]
De overgrote meerderheid interpreteert de hadith anders: de Profeet ﷺ legt slechts uit dat, net als bij de reiziger, het vasten tijdens de periode van zwangerschap of borstvoeding mag worden uitgesteld. Het systeem van qaḍā’ blijft echter bestaan. Ibn Qudāmah (Ḥanbalī) zegt: “De zwangere en de borstvoedende vrouw die vrezen voor zichzelf mogen het vasten verlaten en moeten alleen inhalen; hierover is onder de geleerden geen verschil van mening”.
De vier soennitsche madhhabs
De onderstaande samenvatting laat zien hoe de klassieke juristen van de Ḥanafī, Mālikī, Shāfiʿī en Ḥanbalī scholen de teksten hebben geïnterpreteerd
1. Mālikī‑madhhab
Het standaardwerk al‑Mudawwanah, waarin de dialoog tussen Imām Mālik en zijn leerlingen is vastgelegd, behandelt de situatie van zwangere en borstvoedende vrouwen in het hoofdstuk over het vasten.
Imām Mālik maakt onderscheid tussen de zwangere en de borstvoedende vrouw wanneer zij het vasten verbreken uit vrees voor hun kind. De borstvoedende vrouw mag het vasten verbreken als zij vreest dat haar kind schade oploopt; zij moet de gemiste dagen inhalen en voor elke dag een arme voeden (een mudd). Als haar kind echter ook door een andere voedster kan worden gevoed en zij dat kan betalen, dan moet zij vasten en een voedster inhuren. De zwangere vrouw wordt volgens Mālik beschouwd als iemand die ziek is; daarom mag zij het vasten verbreken als zij vreest voor schade of een miskraam, maar zij hoeft geen arme te voeden en moet alleen de gemiste dagen inhalen. Het verschil is volgens Mālik dat zwangerschap als een vorm van ziekte wordt gezien, terwijl borstvoeding dat niet is. Sommige overleveringen vermelden dat de zwangere ook zou moeten voeden (zoals van Ibn ʿUmar), maar Mālik beschouwde dit niet als verplicht.[5]
Latere Mālikī‑geleerden, zoals al‑Qurṭubī en Qāḍī ʿIyāḍ, wijzen erop dat deze fidyah voor de borstvoedende vrouw de mashhūr‑opvatting (bekende mening binnen de school) is. Er bestaat echter ook een minder bekende Mālikī‑opvatting die geen fidyah oplegt, waardoor de Mālikī‑school twee versies kent. Omdat de mashhūr door de meeste Mālikī‑juristen werd gevolgd, gaat de praktijk veelal uit van het inhaalvast plus fidyah voor de borstvoedende, en alleen inhalen voor de zwangere.
2. Ḥanafī‑madhhab
In het Ḥanafī‑rechtsstelsel wordt de zwangere en borstvoedende vrouw vergeleken met een zieke. Muhammad ibn al‑Ḥasan al‑Shaybānī schrijft in zijn werk al‑Aṣl (al‑Bādīʿ):
“Ik vroeg (Abū Ḥanīfa) over de zwangere en de borstvoedende vrouw die vrezen voor het kind, of de zwangere die voor zichzelf vreest; hij antwoordde: beiden mogen hun vasten breken en dienen voor elke dag één dag in te halen; er is geen fidyah”.[6]
Al‑Sarakhṣī legt in zijn encyclopedische al‑Mabsūṭ uit waarom er geen fidyah is:
“Zij ondervindt moeilijkheden voor zichzelf of haar kind, en moeilijkheid is een geldige reden om het vasten te onderbreken zoals bij de zieke of de reiziger. Zij moet de dagen inhalen en er is geen fidyah omdat zij in het verbreken van het vasten geen zonde heeft begaan”.[7]
Volgens de Hanafi‑school gelden voor zowel de zwangere als de borstvoedende vrouw dus twee situaties:
- Vrees voor eigen gezondheid of gecombineerd met vrees voor het kind → De vrouw mag het vasten laten en hoeft alleen in te halen; er is geen fidyah.
- Vrees uitsluitend voor het kind → Ook dan geldt slechts qada’ (inhaalvast); er is geen verplichting om te voeden. De Hanafī‑geleerden zien de belemmering immers als tijdelijk en vergelijken haar met de zieke.
3. Shāfiʿī‑madhhab
Imām al‑Shāfiʿī en de meeste Shāfiʿī‑juristen maken een onderscheid tussen het motief van het verbreken van het vasten:
- In al‑Fiqh al‑Manhajī (een moderne samenvatting van de Shāfiʿī‑madhhab) staat:[8]
- “Als de zwangere of de borstvoedende vrouw het vasten verbreekt uit angst voor schade aan zichzelf, dan moet zij alleen de dagen inhalen vóór de volgende Ramadan”.
- “Wanneer zij het vasten verbreekt uit vrees voor haar kind (de zwangere vreest dat het foetus afglijdt, of de borstvoedende vreest dat de melkproductie vermindert), dan moet zij de dagen inhalen én per dag een ‘mudd’ voedsel schenken aan een arme persoon”.
Een ‘mudd’ is ongeveer 750 gram van het hoofdvoedsel (tarwe, rijst of dadels).
Al‑Nawawī noemt in al‑Majmūʿ dezelfde tweedeling en rapporteert dat dit de bekende mening binnen de Shāfiʿī‑school is. Hij voegt toe dat sommige Shāfiʿī‑geleerden de fidyah niet verplicht stellen, maar deze mening is zwak omdat de overlevering van Ibn ʿAbbās de combinatie van qada’ en fidyah ondersteunt.
4. Ḥanbalī‑madhhab
Ibn Qudāmah bespreekt in zijn standaardwerk al‑Mughnī twee situaties[9]:
- Angst voor de eigen gezondheid – “De zwangere en de borstvoedende vrouw die vrezen voor zichzelf mogen het vasten verlaten, en het is voor hen verplicht de dagen in te halen zonder fidyah”.
- Angst voor het kind – “Wanneer zij vrezen voor hun kinderen, breken zij het vasten, en moeten zij zowel inhalen als een arme voeden per dag; dit wordt toegeschreven aan Ibn ʿUmar en is de bekende mening in de Hanbalī‑school”
Ibn Qudāmah citeert ook een andere overlevering van Imām Aḥmad waarin alleen qada’ en geen fidyah wordt opgelegd; deze mening werd echter minder gevolgd binnen de school. Ḥanbalī‑geleerden zien de fidyah hier niet als een compensatie voor een zonde, maar als een extra zorgplicht voor het kind, te vergelijken met een vorm van “diya” voor een mogelijke gemiste voeding.
Uit de bovenstaande bewijzen blijkt dat de uitspraak die rondgaat waarin staat dat zwangere en borstvoedende vrouwen alleen een arme voeden en niets hoeven in te halen, niet overeenkomt met de standpunten van de vier soennitische madhhabs.
- Volgens de Ḥanafī‑ en (minder gangbare) Mālikī‑opinies hoeven zowel de zwangere als de borstvoedende vrouw alleen de gemiste dagen in te halen; er is geen fidyah.
- Volgens de mashhūr Mālikī‑, Shāfiʿī‑ en Hanbalī‑opinies wordt bij vrees voor het kind een fidyah toegevoegd naast het inhalen, terwijl bij vrees voor de moeder zelf slechts qada’ verplicht blijft.
Daarom is het belangrijk dat vrouwen die hun vasten verbreken wegens zwangerschap of borstvoeding niet alleen op internetplaatjes vertrouwen. Zij dienen na te gaan welke mening zij willen volgen en, bij twijfel, de opvatting van hun school of een betrouwbare geleerde te volgen. In alle gevallen is duidelijk dat het inhaalvast (qaḍā’) blijft gelden, en dat de fidyah slechts in sommige madhhabs en omstandigheden wordt toegevoegd.
[1] al-Mughnī 3/139; al-Inṣāf 3/290 — wa-hādhā huwa al-madhhab. Wa-fī riwāya ʿan al-Imām Aḥmad ʿalayhimā al-iṭʿām; al-Muhadhdhab 1/241.
[2] Muṣṭafā al-Khin, Muṣṭafā al-Bughā, wa-ʿAlī al-Sharbajī, al-Fiqh al-Manhajī ʿalā Madhhab al-Imām al-Shāfiʿī (Dimashq: Dār al-Qalam, 4e dr., 1413/1992), 8 dln.
[3] Overgeleverd door Ibn Māǧah, Sunan nr. 1667 (uitgebreide versie; de bewoording is van hem). Ook overgeleverd door Abū Dāwūd, Sunan nr. 2408, en al-Tirmiḏī, Sunan nr. 715, eveneens in een langere versie met een klein verschil in formulering.
[4] ʿAwwāḍ b. Hilāl al-ʿUmarī, Aḥkām al-Qaḍāʾ fī al-Ṣiyām (al-Madīna al-Munawwara: al-Jāmiʿa al-Islāmiyya bi-l-Madīna al-Munawwara, nr. 129, jaar 37, 1425 AH), p. 246.
[5] Mālik b. Anas al-Aṣbaḥī, al-Mudawwana (Beirut: Dār al-Kutub al-ʿIlmiyya, 1e dr., 1415/1995), 4 dln., 1:279.
[6] Muḥammad b. al-Ḥasan al-Shaybānī, al-Aṣl, 2:245.
[7] al-Sarakhsī, al-Mabsūṭ, 3:99.
[8] Muṣṭafā al-Khin, Muṣṭafā al-Bughā, en ʿAlī al-Sharbajī, al-Fiqh al-Manhajī ʿalā Madhhab al-Imām al-Shāfiʿī (Dimashq: Dār al-Qalam li-l-Ṭibāʿa wa-l-Nashr wa-l-Tawzīʿ, 4e dr., 1413/1992), 2:94.
[9] Ibn Qudāma, al-Mughnī, 3:149.
Was dit antwoord nuttig voor je?
Dit antwoord is algemeen van aard en vervangt geen persoonlijk advies. Twijfel je over jouw situatie? Stel je eigen vraag →
